Hij leidde tot op hoge leeftijd een werkzaam leven en is tot op de dag van vandaag een bekend vakman in het dit jaar zijn eeuwfeest vierende Aalsmeerse familiebedrijf Sparnaaij Juweliers. De bijna 90-jarige Janus Sparnaaij is een boeiend verteller met wie we in de geschiedenis duiken van het het in 1919 in Aalsmeer gestichte familiebedrijf.

Eigenlijk had hij niet in het familiebedrijf willen treden, zo horen we deze middag van Janus Sparnaaij die we bezoeken in zijn ruim, gerieflijke en zeer smaakvol ingerichte penthouse in de Gerberastraat. Veel boeken, planken vol foto’s van de familieleden, het dagblad op tafel en een hometrainer waarop nog dagelijks wordt getraind.

Oorspronkelijk komen de Sparnaaijen uit Frankrijk en als Hugenoten zijn ze samen met andere families zoals de bekende familie Recourt naar Nederland gekomen. De Sparnaaijen trokken naar Gouda, later naar Uithoorn en weer later naar Aalsmeer.

“Het waren vanaf het begin ondernemende types en mijn vader ging het vak van horlogemaker leren in Haarlem. Moeder stamt uit de Pannekoekenfamilie, zij waren kruideniers. Toen mijn vader zijn diploma als horlogemaker had, besloten ze naar Aalsmeer te gaan. Er was in Aalsmeer nog geen horlogemaker, wel klokkenmaker Fook. Ze trokken in het pand hoek Marktstraat/Weteringstraat waar de winkel vele jaren was gevestigd. Nu zit er al jaren Pasta Vino.”

Sparnaaij geeft een levendig beeld van de beginjaren als zelfstandig ondernemer van vader en moeder Sparnaaij: “Ze hadden echt niks. Als meubels waren er een tafel en vier sinaasappelkisten.”

En dan ga je horloges verkopen in een kwekersdorp?
“Ja, de kwekers kwamen met dekschuiten naar de veiling en dan langs in de winkel voor reparaties. Of ze geld hadden voor horloges? Mijn vader en moeder hadden vertrouwen in de mensheid en schreven als er geen geld was, alles op.”

Het gezin Sparnaaij breidde uit en de monden van de kinderen Bets, Jan, Hein, Cor, Janus en Annie  moesten worden gevoed.

“Het was hard werken. Zus Bets hielp al gauw in de winkel, Jan ging het vak leren, de zaken liepen goed en we hadden al gauw een aantal horlogemakers in dienst. Het sortiment horloges breidde uit, er kwamen klokken bij. Het meest werden de zakhorloges verkocht. Zakhorloges, de armbandhorloges kwamen pas later. Mijn vader werd maar 56 jaar helaas en moeder stond er zodoende al jong met zes kinderen alleen voor. Dus dat werd aanpakken voor ons allemaal.”

Was er concurrentie in het dorp?
“Er was klokkenmaker Fook en later kwam Copini.”

Maar naar laatstgenoemde trok wellicht het katholieke volksdeel want zo scheen het te gaan in die jaren.
“Nee, hoor, wij hadden ook best veel katholieke klanten en stonden ook op goede voet met Copini.”

Sparnaaij kijkt terug op zijn jeugd. Hem stond niet het vak van horlogemaker of goudsmid voor ogen.
“Nee, absoluut niet. Ik zat enkele jaren op de Christelijke Mulo in Amstelveen, maar toen de trein niet meer reed ging ik hier naar de Ulo en haalde mijn diploma. Ik was onder andere goed in meetkunde en algebra. Ik wilde piloot of stuurman worden of bij de politie gaan. Ik schreef in overleg met meneer De Hertog, de directeur van de Ulo, een brief aan de marinevliegdienst op Schiphol en werd uitgenodigd voor een gesprek. Men toonde zich zeer welwillend, ik had goeie cijfers op mijn eindlijst, maar men raadde me aan nog één jaar naar de HBS te gaan. Ik had er erg veel zin in, maar mijn moeder zei na het plotselinge overlijden van vader direct: dat gebeurt niet, jij komt in de zaak. Dat was een grote teleurstelling op dat moment, maar ja, ik kon niet anders, moeders wil was wet.”

Dus in feite had u geen zin in de klokken en de horloges, maar bent u toch het vak ingegaan.
“Ja, en uiteindelijk ben ik ook wel van het vak gaan houden. Ik heb me verdiept in de veelzijdigheid van het beroep, het bleef  in de loop der jaren niet beperkt tot horloges en klokken. Er kwamen sieraden bij en wat er bijvoorbeeld aan goud vastzit, daar heb je geen idee van. En nog steeds ben ik geïnteresseerd in de materie.”

Inmiddels ging u trouwen.
“Ja, met mijn buurmeisje Tilly. Ze woonde tegenover me op de hoek Weteringstraat/Schoolstraat, ze hadden een sigarenwinkel. We zijn 61 jaar getrouwd geweest. Til is 2016 overleden. We hadden een prachtig leven. We kregen vijf kinderen, een zoon is overleden. Ik heb zeven kleinkinderen en vier achterkleinkinderen en ik heb hier regelmatig veel aanloop.”

Sinds vele jaren is er ook een vestiging van het Aalsmeerse bedrijf in Hoofddorp.
“Op een geven moment kwam de zaak van juwelier Vlieg in Hoofddorp te koop. Ik overlegde met de familie om die zaak te kopen. Broer Jan zei, maar wie moet daar dan naar toe? ‘Ik,’ zei ik direct. Jan stond hier al in de winkel. Wat ik nooit leuk vond als klanten direct naar Jan vroegen terwijl ik ook gediplomeerd was. Ik ben toen naar Hoofddorp gegaan.“

Was daar concurrentie van andere neringdoenden?
“Ja, er was nog een zaak, die verkocht onder meer brillen. Ik heb toen mijn diploma als opticien gehaald en presenteerde me als zodanig. Vond die andere winkelier niet zo leuk. Inmiddels bestaat de zaak in Hoofddorp nog steeds, hij wordt geleid door mijn dochter Meinske.”

Sparnaaij verhaalt over het in de loop der jaren uitgebreide sortiment in de winkels. Er kwamen dure prestigieuze merken bij zoals bijvoorbeeld Longines, maar ook populaire merken.

”Mooi vond ik altijd die reclameslogan van Pontiac, toen in 2003 Wim van Est bij de Tour de France in het ravijn viel en er direct werd op ingehaakt met de slagzin, mijn hart stond stil, maar mijn Pontiac liep nog.”

Een deel van de familie Sparnaaij werd ook om andere redenen in Aalsmeer bekend, namelijk om om hun activiteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog.

“Vooral Cor die later nog 22 jaar in de gemeenteraad heeft gezeten hield wel van gevaar. Hij zat in het verzet. Broer Hein zat in de oorlog bij de BS, de binnenlandse strijdkrachten, en was later bij de marechaussee. Dus in feite hebben Bets, Jan en ik het familiebedrijf voortgezet. Jan was vooral in de winkel aan het werk.”

Op een gegeven moment kwam de mogelijkheid het bedrijf te vestigen op de huidige plaats, te weten op de hoek Uiterweg/Zijdstraat. Zoon Jan zwaait daar de scepter.

”Ik kom nog regelmatig langs, want ik blijf toch geïnteresseerd. Als er oud goud wordt aangeboden word ik er bij gehaald. Ik heb me daarin jaren geleden al verdiept, ben ook nog lessen gaan volgen in Amsterdam. Over goud valt veel te vertellen.”

We krijgen een klein, enthousiast college over de diverse goudsoorten, over het goudgehalte, over karaats en andere technische details en we begrijpen dat Sparnaaij nog steeds een levendige belangstelling heeft voor het vak dat hem aanvankelijk niet voor ogen stond, maar dat hij met veel plezier heeft uitgeoefend, zo zegt hij.

We hadden het nog niet over de sportieve kant van de familie.
“Inderdaad, we waren een echte Olympiafamilie en gelukkig was mijn vrouw Til ook erg sportief. Of ik nog steeds sportief ben? Ik heb tot voor kort wekelijks banen gezwommen in de Waterlelie, heb ook altijd getennist, maar momenteel beperk ik me tot een fietstochtje en zit ik dagelijks op de hometrainer. Met waterskiën dat ik voor kort nog deed, ben ik wel gestopt. ”

U zette zich ondanks uw drukke werkkring ook altijd in voor het maatschappelijk leven in Aalsmeer.
“Ja, ik was betrokken bij het samengaan van Rustoord met het verzorgingshuis Seringenpark en ook bij Bornholm.”

Het is duidelijk, onder de groep eenzame en zich vervelende ouderen valt Janus Sparnaaij zeker niet. Hij spelt zijn dagblad, volgt interessante tv-programma’s en kijkt met plezier terug op de enkele maanden geleden gehouden familiereünie in de Historische Tuin waar ruim 100 familieleden aanwezig waren.

In 1919 werd het bedrijf opgericht. Wordt er nog uitgebreid aandacht aan het eeuwfeest besteed?
“Dat zal ik bespreken met mijn kinderen, want daar ga ik niet over.”

U bent een in veel opzichten een bevoorrecht mens. Hard gewerkt, goed geboerd. Een advies?
“Niet te veel geld uitgeven, dan kom je daar vanzelf aan.”

Tekst Leni Paul, foto’s Arjen Vos

Dit stuk verscheen op Aalsmeervandaag.nl 

 

 

 

Pin It on Pinterest